Problemen rondom Wmo-indicatie huishoudelijke ondersteuning

(Samenvatting dossier 2015.1534)
De heer T. is 83 jaar en ernstig hulpbehoevend. Hij wordt hoofdzakelijk verzorgd door zijn 77-jarige echtgenote. Vanwege de overbelasting van mevrouw T. is in
oktober 2014 huishoudelijke ondersteuning voor de duur van zes maanden toegekend.

Omdat de medische toestand van mijnheer niet verbetert en de overbelasting van mevrouw voortduurt, vragen zij op 16 februari 2015 om een verlenging van de huishoudelijke ondersteuning. Als op 12 april 2015 de indicatie voor huishoudelijke ondersteuning eindigt, is er nog geen Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning)-adviseur langs geweest. Dat gebeurt op 15 april
2015. Op 17 juni 2015 wijst de gemeente vervolgens het verzoek om herindicatie af.

Volgens de gemeente is er geen medische onderbouwing voorhanden waaruit blijkt dat mevrouw nog steeds overbelast is. De gemeente gaat daarmee voorbij aan de inhoud van een verklaring van de huisarts 8 juni 2015 die op dat moment al in het bezit van de gemeente is. Omdat de situatie inmiddels onhoudbaar is geworden, dient de coördinerend verpleegkundige van het echtpaar medio augustus 2015 een klacht bij de ombudsman in.

De ombudsman vindt de klachten in alle opzichten gegrond. Het besluit van 17 juni 2015 is niet behoorlijk voorbereid, de gemeente heeft steken laten vallen bij afhandelingstermijnen en de gemeente heeft niet voldaan aan de terugbelverzoeken. Ook vindt de ombudsman het laakbaar dat de Wmo-adviseur de afspraken om het echtpaar te bezoeken niet nagekomen is.

Omdat de heer en mevrouw T. per 14 september 2015 ondersteuning in de vorm van huishoudelijke hulp ontvangen, ziet de ombudsman in het voorgaande geen aanleiding om aan zijn oordeel een aanbeveling te verbinden