Klachten stichting Blick op onderwijs over gemeente Capelle aan den IJssel grotendeels terecht

(samenvatting dossier 4722) De stichting BLICK op onderwijs biedt openbaar onderwijs aan leerlingen (4-18 jaar) in de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel. Eén van de scholen is ‘de Hermitage’ in de wijk Capelle-Schollevaar. De stichting informeert in december 2016 de gemeente dat zij van plan is deze school te sluiten. De gemeente wil graag dat de school openblijft en gaat in januari 2017 in gesprek met de stichting. De gesprekken over het langer open houden mislukken. Gemeente en stichting doen in maart 2017 nog een ultieme poging om de school langer open te houden door gezamenlijk een convenant op te stellen. Het convenant komt niet tot stand omdat partijen zich niet kunnen vinden in elkaars eisen.

De gemeente dagvaardt in april 2017 in kort geding zowel de stichting als haar bestuurder in persoon om af te dwingen dat de Hermitage niet per 1 augustus 2017 sluit. De rechtbank verklaart de gemeente niet ontvankelijk in haar vordering en stelt misbruik van procesrecht vast ten aanzien van het dagvaarden van de bestuurder in persoon. De relatie tussen de stichting en het college verslechtert verder door dit geding.

In juni 2017 hervatten gemeente en stichting het overleg en stellen samen een persbericht op waarin het college het persoonlijk dagvaarden betreurt. Na de publicatie in de krant ontstaat een discussie tussen gemeente en stichting over de gepubliceerde tekst omdat de stichting zich er niet in kan vinden. Hierna proberen college en stichting hun relatie weer te herstellen, maar de communicatie tussen hen verloopt stroef en ze komen niet tot een structurele oplossing van hun conflict. De relatie escaleert op het moment dat het college in december/januari 2018 besluit tot het instellen van een extern onafhankelijk onderzoek naar de stichting. De stichting ziet geen aanleiding voor zo’n onderzoek, zij geeft de voorkeur aan een bemiddelingspoging door de commissaris van de Koning.

De stichting wendt zich in februari 2018 tot de ombudsman met een aantal klachten over het college:
1. De beslissing van het college tot het aanhangig maken van een kort geding;
2. De handelwijze van het college bij het opstellen van een gezamenlijk persbericht (juni 2017);
3. De beslissing van het college tot het instellen van een extern onafhankelijk onderzoek;
4. De wijze van communicatie van het college naar de stichting en over hen naar derden.

De ombudsman oordeelt na onderzoek dat de keuze van het college om de bestuurder van de stichting in persoon te dagvaarden tot een onnodige escalatie heeft geleid. Deze stap van het college heeft een blijvende schade in de onderlinge relatie achtergelaten.
De ombudsman heeft geconstateerd dat het persbericht van juni 2017 op een transparante wijze tot stand gekomen is en is vastgesteld. De tekst van het uiteindelijke artikel in de krant is niet toe te schrijven aan het college, dat is aan de redactie van de krant.
Voor wat betreft klachtonderdeel drie heeft het college te weinig rekening gehouden met de wens van de stichting om een onafhankelijk bemiddelaar in te schakelen. De gemeente had volgens de ombudsman meer zorgvuldigheid moeten betrachten bij de beslissing tot een extern onafhankelijk onderzoek en deze ook beter moeten motiveren aan de stichting.
Ten aanzien van klachtonderdeel vier over de communicatie stelt de ombudsman dat de negatieve uitingen in de pers gedurende een langere periode niet bijdragen aan een stabiele communicatie tussen stichting en college en het zet de relatie steeds weer op scherp. Zowel college als stichting zijn er debet aan dat de onderlinge communicatie niet verbetert. Dat is niet toe te schrijven aan een van de partijen. Van een overheidsorgaan mag echter verwacht worden dat de contacten in elke fase fatsoenlijk verlopen.

Ten tijde van het onderzoek voerde de Rekenkamer Capelle aan den IJssel een onderzoek naar verbonden stichtingen uit (waaronder de stichting BLICK). De rekenkamer en de ombudsman hebben elkaar geïnformeerd over de planning en de voortgang van beide onderzoeken.